Stad Groningen

De stad Groningen wordt voor het eerst vermeld in een schenkingsakte uit het jaar 1040, er wordt dan gesproken over Cruoninga. De Duitse keizer Hendrik III schonk Groningen in dat jaar aan de bisschop van Utrecht. Vóór de schenking aan de Utrechtse bisschop zijn er te Groningen zilveren penningen geslagen op naam van de Duitse keizer en de Brunswijkse graven. Daarna is er te Groningen ook gemunt op naam van de bisschoppen van Utrecht. Rond 1350 begon Groningen eigenmachtig munten te slaan. Dit waren allen imitaties van munten van elders zoals b.v. Tourse groten. In 1487 kreeg de stad officieel toestemming van de Duitse keizer Frederik III om gouden munten te slaan. In 1577 raakte de stad in conflict met de Ommelanden (de dorpen gelegen in heerlijkheden en graafschapjes rond de stad). De Ommelanden scheiden zich geheel van Groningen af en begonnen zelfs een eigen munthuis. De Ommelanden waren ook één van de eerste oorspronkelijke ondertekenaars van de Unie van Utrecht. In 1579 sloot de stad Groningen zich in eerste instantie ook aan bij de Unie maar in 1580 kreeg George van Lalaing, graaf van Rennenberg en stadhouder van Groningen, Drenthe en Friesland hier spijt van en speelde de stad in handen van de Spaanse hertog van Parma. Pas in 1594 keerde Groningen terug in de Unie na heroverd te zijn door prins Maurits.

De stad Groningen, heeft nadat zij in 1594 weer een deel uitmaakte van de republiek, geheel eigen munten geslagen tot circa 1606. In dat jaar kwam ook Groningen een afkoopsom van 2000 gulden overeen met de Staten-Generaal om het munthuis te sluiten. In diverse jaren daarna liet de stad echter toch kleingeld slaan tot grote woede van de Staten-Generaal. Diverse keren werden deze muntwerkzaamheden onderzocht door de generaalmeesters en werden de munten per plakkaat verboden en tot biljoen verklaard. Dit weerhield de stad er echter niet van om dan een paar jaar later toch weer slechte munten aan te maken. Ondanks dat de Ommelanden er al sinds 1601 bij de stad Groningen op aandrongen om een gewestelijke munt te openen kwam deze er pas in 1672. In 1673 zijn de eerste munten geslagen op naam van de Groninger Ommelanden. Ten tijde van deze overeenkomst met de Groninger Ommelanden is in 1690 ook de stadsmunt weer heropend en zijn er in 1690 twee typen duiten geslagen. Deze stadsmunt met als muntmeester Egbertus Marinus, werd in mei 1693 gesloten.

Het wapen van Groningen

De oudste afbeelding van het Groninger wapen dateert uit 1263, dit wapen (1) bestaat uit een wit (zilver) veld met hierin een groene horizontale balk. Na de officiële toestemming van de Duitse keizer Frederik III om gouden munten te mogen slaan werd sinds 1487 de Duitse rijksadelaar als wapen gebruikt met op zijn borst het wapenschild van de stad (2).

De beide wapens komen ook afzonderlijk om en om voor in een groot wapenschild (3). Na de samensmelting van de stad Groningen met de Ommelanden ontstond een gecombineerd wapenschild (4) met de wapens van de Ommelanden en de stad Groningen. In 1690 sloeg Groningen 2 typen duiten op naam van de stad zelf. Deze vertonen de rijksadelaar met het schildje van Groningen op zijn borst (2) in een wapenschild dat door 2 leeuwen wordt vastgehouden.

MUNTMEESTERS:
VAN  -  TOT:
TEKENS:
Mattheus
Jasper Na
Geert Hessels
Hendrik van Lijner
Cornelis van Leiden
Jasper van Osenborg (Jaspar Vleminck)
Hendrik Berends
Hendrik Mimmunck
Balthasar Wijntgens
Hans Thom Bussche
Rosier Alberts Ritsema
Coenraet Raerd
Egbertus Marinus
1471 - 1477
1474
1491?
1498 - 1500?
1498 - 1507
1560 - 1562?
1565
1568
1577
1578 - 1622
1623 - 1649
1657
1690 - 1693





Lelie, adelaar




Twee gekruisde munthaken
Daarvóór te Friesland
Meerman


STEMPELSNIJDERS:
VAN  -  TOT:
Adriaen Muntinck
Joannes Dronrijp
1623 - 1646
1690 - 1693?

 

ESSAYEURS:
VAN  -  TOT:
Wilhelmus a Wullen 1690 - 1693?


In 1437 is er te Groningen een valsemunter van zilvergeld gesoden in kokende olie of water. De naam van de persoon wordt echter niet genoemd1. Ook sommige van de Groningse muntmeesters blijken geknoeid te hebben met de muntslag. Muntmeester Cornelis van Leiden blijkt jagers en goudguldens van slechte kwaliteit te hebben aangemunt. Hij moest hiervoor in maart 1507 voor graaf Edsard, de beschermheer van Groningen, verschijnen. Hij verdedigde zich door te zeggen dat een knecht in het munthuis zou hebben geknoeid met het muntmateriaal. Dit werd echter niet geloofd en hij moest te Groningen verblijven tot dat de graaf daar heen zou komen om een onderzoek in te stellen. Cornelis van Leiden heeft dit echter niet afgewacht en is heimelijk vertrokken. Zijn achtergebleven goederen werden hierop verbeurd verklaard.

Toen Groningen in 1577 belegerd werd door de Spanjaarden was toevallig Balthasar Wijntgens in de stad. Deze heeft toen ten tijde van het beleg noodmunten voor de stad geslagen. Onder het muntmeesterschap van Hans Thom Bussche, Rosier Alberts Ritsema en hun opvolgers zijn er in diverse jaren slechte munten aangemaakt. Het betrof hier vrijwel altijd kleingeld dat geslagen werd tegen de afspraken met de Staten-Generaal in.

De munt werd in 1649 gesloten maar in 1657 wordt de voormalige muntmeester van Friesland, Coenraad Raerd, vermeld als muntmeester. Hij heeft echter niets geslagen. In 1690 werd de Groninger stadsmunt heropend met als muntmeester Egbert Marinus2. Deze was de vader van de Friese Muntmeester Herbert Marinus (1704-1719). Hij was in 1653 te Deventer geboren waar hij in 1682 essayeur werd aan de Deventer stadsmunt. In 1690 vertrok hij naar Groningen waar hij als stadsmuntmeester werd aangenomen volgens raadsbesluiten van 29 maart en 8 april 1690. Hij kocht een huis aan de Marktstraat waar hij heeft gewoond en gewerkt. Egbert maakte voor het munten gebruik van een schroefwerk in plaats van het munten met de hamer. In november 1690 kreeg hij van de stadsraad toestemming om voor 2000 gulden duiten te slaan. Deze zijn in dat jaar geslagen in 2 verschillende typen. Ook Egbert Marinus maakte zich schuldig aan het slaan van schellingen, een muntsoort die door de Staten-Generaal als ongewenste muntsoort was verboden. In september 1692 werd de munt stilgelegd vanwege overleg met de Staten-Generaal over sluiting van het munthuis. Egbert bleef echter in het geheim schellingen slaan waar de stadsraad in december een onderzoek naar begon. Voor dit vergrijp werd hij pas in 1696 veroordeeld. Hij kreeg een boete van 200 dukatons (630 gulden) welke boete later werd verlaagd naar 500 gulden. In mei 1693 werd de stadsmunt van Groningen gesloten.

Te Groningen is omstreeks 1659 ook een proces gevoerd tegen ene Dirk Hamer. Deze bleek Gronsveldse flabben (4 stuiverstukken) en Reckheimse duiten te hebben uitgegeven. In de eerste instantie werd hij er zelf van verdacht deze te hebben geslagen maar mede door getuigenissen uit Gronsveld werd het vonnis veranderd. Hem werd toen het in omloop brengen van minderwaardige munten ten laste gelegd.


GRO.1: duit.
(V.189.1 - PW 8101)

VOORZIJDE: Een versiering van vier bogen (vierpas) met daarin de tekst CIV. GRONIN GA. in drie regels. Dit is voluit: civitas Groninga, en betekent: stad Groningen.

KEERZIJDE: Gekroond wapenschild met de Duitse rijksadelaar die het stadswapen van Groningen op de borst heeft. Het wapen wordt vastgehouden door twee leeuwen. Onder het wapen zit een versiering en boven de kroon staat het jaartal 1690.

Egbertus Marinus, mmt: meerman (niet op deze munt).

    1690 R


Voorkomende voorzijde varianten:

VZ: A: CIV. / GRONIN / GA.
    B: CIV / GRONIN / GA.



Info:

Variant A (1690), afbeelding VCLS 23 nr.961.

1690 KPK

Voorschrift: resolutie van de stadsraad van 6 en 16 november 1690. Uit de snede 120 stuks is ca. 2,05 gram per stuk.

Er werd door de stadsraad toestemming verleend om voor 2000 gulden duiten te slaan wat een oplage betekent van ca. 320.000 stuks (type 1 en 2 gezamenlijk). Zij zijn mogelijk tot in 1691 geslagen omdat de resolutie dateert van november 1690. De duiten zijn naar model van de Utrechtse duiten, waarschijnlijk om de afzet te vergemakkelijken.


GRO.2: duit.
(V.189.2 - PW 8102)

VOORZIJDE: Een versiering van vier bogen met daarin de tekst GRO NINGA. in twee regels. Dit betekent: Groningen.

KEERZIJDE: Gekroond wapenschild met de Duitse rijksadelaar die het stadswapen van Groningen op de borst heeft. Het wapen wordt vastgehouden door twee leeuwen. Onder het wapen zit een versiering en boven de kroon staat het jaartal 1690.

Egbertus Marinus, mmt: meerman (niet op deze munt).

    1690 S

Bekende afslagen etc.

    1690 X (piedfort)


Voorkomende voorzijde varianten:


VZ: A: GRO / NINGA.


Info:

Variant A (1690), afbeelding PW 8102 blz.150.

1690 KPK

1690 (piedfort 3,4 gram) PW 8102.1

Voorschrift: geslagen volgens resolutie van de stadsraad van 6 en 16 november 1690. Uit de snede 120 stuks is ca. 2,05 gram per stuk.

Door de stadsraad werd toestemming verleend om voor 2000 gulden duiten te slaan wat een oplage betekent van ca. 320.000 stuks (type 1 en 2 gezamenlijk). Zij zijn mogelijk tot in 1691 geslagen omdat de resolutie dateert van november 1690. De duiten zijn naar model van de Utrechtse duiten, waarschijnlijk om de afzet te vergemakkelijken.


Noten:

1:
Bron: J.P.J.A.M van Daalen De geschiedenis van Gronsveld deel II: de munten van Gronsveld
  
Uitgave Gronsveld 1964.

2: Zie J.C. van der Wis Zeemeerminnen, sirenen of zeemeermannen. De muntmeesters Egbert en Herbert
  
Marinus en hun tekens. Verschenen in "de Beeldenaar" maart/april 1987.