Het woord oord voor muntstukken

Het volgende is een samenvatting en bewerking van een klein stukje uit een artikel over de penningen van het Sint Lucas gilde, gepubliceerd door Marie de Man in het Tijdschrift voor Munt en Penningkunde 1902 blz.127.

Het woord oord, soms ook te Zeeland en Noord-Brabant geschreven als noort, werd gebruikt om het vierde deel van iets aan te geven.
Oord zou de verbastering zijn van quart of hoek, de munten droegen in de middeleeuwen vaak een kruis als beeldenaar op de keerzijde en de hoeken van het kruis werden wel oorden genoemd. Een munt kon via dit kruis in vier "oorden" worden verdeelt of te wel in vier kwart delen. Dat de term oord niet alleen gebruikt werd om een koperen munt van twee duiten aan te geven blijkt uit het volgende. Van der Chijs vermeld in zijn deel Utrecht blz.202

slieschat:                een half oert gouts
werklui, munters:    een half oert gouts
voor onkosten:        een oert gouts

Totaal:                    twee oert gouts = een halve goudgulden.

Een kwart goudgulden werd dus 1 oert gouds genoemd.

Van der Chijs vermeldt op blz.333 nog een ander voorbeeld. Er wordt gesproken over gouden Utrechtse guldens waarvan de sleischat wordt bepaald op "drie oert derzelver penningen" dus 3/4 Utrechtse goudguldens.

In plakkaten en andere documenten worden ook oorden van een rijksdaalder of oorddaalders vermeld. Dit was de aanduiding voor zilveren munten met de waarde van een kwart rijksdaalder. Ten slotte was er nog de oordstuiver of het vierde deel van de stuiver. De koperen oord ter waarde van twee duiten.

Enkele uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden met het woord oord

Die geboren is onder een duit-planeet, zal nimmer meester van een oordje worden.

Een duit gezocht en een oordje verloren.

Het is zoo goed waard als een ei een oordjen.

Dat is lelijk goed, geef mij nog voor een oordje.

Een oordje in 't zakje leggen om er een schelling uit te halen.

Hij kijkt of hij zijn laatste oordje versnoept heeft.

Geen oordjes, geen mastellen (geen geld, geen waar).

Iemand met oordjes.

Zijn stuiver doet toch maar vier oordjes.

Voor het oordje zijn.

Kleine oordjes van iets maken.

Oordje gierig en stuiverke zat.

Den stuiver op een oordje brengen.

Nog liever honger lijden dan een oordje te kort blijven.

Ieder oordje brengt zijn gierigheid mede.

Oordje zeker spelen.

Liever oordje zeker en het geweten zuiver.

Klappen zijn geen oorden (praatjes vullen geen gaatjes).

Gekend zijn als de blinde (valse) oordjes (bekend staan als de bonte hond, berucht zijn).

Altijd een oordje in de schaal te leggen hebben.

Hij zou een oordje in tweeŽn bijten.

Geen oordje waard zijn.

"Een ruiter zonder paard,
een krijgsman zonder zwaard,
een vrijer zonder baard,
zijn geen zeven oordjes waard".

Iemand op het oord zijner zinnen brengen.

Doet hij een duyt profijt, hij doet wel weer een oordje schae.

Hij het syn sneins-oartsen forsnobbe (hij heeft zijn zondagsoordje versnoept).
Earne for in oartsen t'hus lizze (ergens voor een oordje thuis liggen, niets in te brengen hebben).