Holland

De vroegste munten die in het gebied van het tegenwoordige Holland geslagen werden waren zilveren penningen op naam van de Hollandse graven. Er zijn de laatste tijd ook veel anonieme penningen bekend geworden die mogelijk ergens in Holland geslagen zijn door de vroegste Hollandse graven. Het oudst bekende Hollandse munthuis is waarschijnlijk Rijnsburg. Hier zijn in de vroege 11e eeuw penningen geslagen onder graaf Dirk IV. Verder is er incidenteel gemunt te Leiden (Floris I), Vlaardingen (Floris II), Medemblik (Floris V), en Middelburg (Willem V)1. De belangrijkste muntplaats was echter Dordrecht, hier zijn de meeste middeleeuwse en provinciale munten geslagen.

Het oude Hollandse gravenhuis ging met de dood van graaf Jan I (zoon van Floris V) eigenlijk verloren. Jan I werd opgevolgd door Jan I van Henegouwen (neef van Floris V) en heette in Holland Jan II. Door deze opvolging van een Henegouwse graaf ontstond een personele unie tussen Holland en Henegouwen welke zou duren tot aan de afzwering van Philips II in 1581. Na bestuurd te zijn door enkele Henegouwse graven werden vanaf 1345 enkele Beierse hertogen graaf van Holland (Willem V, Albrecht van Beieren, Willem VI en Jacoba van Beieren). In 1433 werd Jacoba van Beieren gedwongen om haar neef Philips de Goede, hertog van Bourgondi, als graaf van Holland en Henegouwen te erkennen. Hierdoor maakte Holland voortaan deel uit van het Bourgondische rijk en stond bekend als "de landen van herwaarts over". Via Maximiliaan en Karel V ging Holland over in handen van het Habsburgse huis. Na de dood van Karel V kreeg de Spaanse tak van het Habsburgse huis het hier voor het zeggen. Deze Spaanse tak was Philips II, de zoon van Karel V.

Onder Philips II begon in Holland een woelige tijd. Zijn vertegenwoordiger, Don Alvarez de Toledo (beter bekend als Alva), maakte zich hier in Holland niet populair. Inquisitie, bloedraad en nieuwe hoge belastingen brachten het volk steeds meer in beroering. Het kwam zelfs tot een regelrechte opstand met als aanvoerder Willem van Oranje. Grote delen van Holland werden vrij gemaakt van Spaanse overheersing en te Dordrecht werden zelfs munten geslagen op eigen initiatief en gezag. Men introduceerde nieuw kopergeld en later een eigen zilveren munt, de leeuwendaalder. Deze munten werden ver boven hun werkelijke (intrinsieke) waarde uitgegeven. Het geld dat met deze overwaardering verdiend werd investeerde men in de oorlogvoering tegen Spanje. De eerste koperen munten dragen nog wel het devies van Philips II, DOMINUS MIHI ADIUTOR, de Heer is mijn helper, maar het wapen van Oostenrijk-Bourgondi is op deze munten vervangen door het wapen van Holland met de klimmende leeuw.

De latere oorden en de later geslagen duiten kregen in plaats van het oude devies van Philips II nu een geheel eigen devies, namelijk: AUXILIUM NOSTRUM IN NOMINE DOMINI, onze hulp is in de naam des Heeren. Voortaan kwamen op de Hollandse koperen munten alleen het Hollandse wapen voor en een vrouw figuur zittende in een tuin, de zogenaamde Hollandse maagd. Zij wijst met haar rechterarm naar de hemel als teken van het vertrouwen op de Heer. Op latere types werd dit een leeuw staande in een tuin met een speer in de hand waar boven op een vrijheidshoed prijkt.

Vanaf 1323 viel ook Zeeland onder het beheer van de Hollandse graven. Daarom staat er op de vroege Hollandse munten een verwijzing als graaf van Zeeland (comes Hollandia et Zelandia, graaf van Holland en Zeeland). Na de afzwering van Philips II werd Zeeland echter steeds meer een individueel gebied en in 1580 richtten de Staten van Zeeland zelfs een eigen munthuis op. Holland heeft zich enige tijd fel verzet tegen de oprichting van deze munt. Toen het Zeeuwse munthuis echter een blijvende zaak bleek staakte Holland zijn verzet en verdween de verwijzing naar Zeeland van de Hollandse munten.


De muntstad Dordrecht


Dordrecht was sinds de 13e eeuw de belangrijkste muntplaats van het gewest Holland. In 897 wordt in een geschrift de stad Dortsmonde genoemd. Mogelijk wordt hier Dordrecht mee bedoeld. In de 11e eeuw genoemd als Thuredrech en in 1064 genoemd in een schenkingsakte van de Duitse keizer Hendrik aan bisschop Willem van Utrecht. Dordrecht verkreeg stadsrechten in 1220 van graaf Willem I van Holland.

Door haar gunstige ligging aan Merwede, Oude Maas, Noord en Dordtse Kil was het in de middeleeuwen een belangrijke havenstad. Mede hierdoor kon de stad uitgroeien tot een welvarende markt en handelsstad, ook omdat zij reeds in de middeleeuwen markt en stapelrechten had gekregen van de Hollandse grafen. Deze rechten hebben vaak conflicten opgeleverd met omringende steden en dorpen. Dordrecht ging namelijk nog wel eens te ver in het uitvoeren en controleren van deze rechten. Het was geen zeldzaamheid dat handelaren of boeren die het stapelrecht probeerden te ontduiken werden mishandeld door de Dordtse controleurs. De Hollandse munt te Dordrecht is officieel als grafelijke munt ingesteld in 1367/68 door Albrecht van Beieren. Deze nam sinds 1359 de regering waar onder de titel van ruwaard (regent) voor zijn broer Willem V bijgenaamd "de dolle hertog". Willem V was in 1354 zijn moeder in Holland en Zeeland opgevolgd maar kort daarna openbaarden zich bij hem tekenen van krankzinnigheid. Toen hij in 1359 n van zijn edelen, de heer van Wateringen, "zomaar" had vermoord werd hij opgesloten waarna hij in 1389 overleed. Zijn broer Albrecht volgde hem toen definitief op als graaf van Holland (1389-1404).


Het muntteken van Dordrecht


Vanaf de officile stichting door graaf Albrecht van Beieren is het muntteken van Dordrecht altijd een roos geweest. Op de koperen duiten komen we de roos tegen als beginteken in het opschrift, op de 18e eeuwse duiten komt de roos duidelijk boven de tekst HOLLANDIA voor. De roos of rozet was trouwens een geliefd onderwerp om op munten af te beelden. Op diverse munten uit verschillende steden en gewesten komen we haar tegen. Ook de tulp was een geliefd onderwerp (tulpkrans), vooral tijdens de periode van de zogenaamde "tulpengekte". In die periode werden er soms duizenden guldens neergelegd voor bepaalde soorten tulpenbollen.

De Hollandse munt te Dordrecht heeft altijd een soort voorbeeld functie gehad voor de overige munthuizen. Vaak werd er afgewacht wat Holland deed en vervolgens werd het Hollandse voorbeeld in veel gevallen nagevolgd. Waar andere munthuizen winst roken stelde Holland zich als enige principieel op tegen het slaan van ongewenste muntsoorten zoals schellingen en florijnen. Ondanks dat Holland zich als zedenprediker gedroeg moet er toch geknoeid zijn door sommige muntmeesters. Uit scheepswrakken van de V.O.C. komen namelijk soms Hollandse leeuwendaalders naar boven met jaartallen die nergens vermeld staan.


Officieren op de munt Holland

MUNTMEESTERS:

VAN  - TOT:

Willem Blasiusz. Boucquet (ook Busket)
Gerrit Pietersz. Dou (dOude)
Jeronimus Bruynseels
Rochus Grijp Joostenzn.
Cornelis de Vries
Jacob Janszn. de Jonge
Jacob Jacobsz. de Jonge
Gideon de Jonge
Mr. Johan van Sloten
Johan Bencken de Jonge
Sara Torquet (weduwe van Johan Bencken)
Steven Bencken (broer van Johan)
Pieter Bink (of Bencken?)
Willem van Bylaer
Adriaan Simonszn. Rottermond
Simon Rottermond
Mattheus Sonnemans
Isaak Westerveen
Otto Buck
Mr. Wouter Buck
Jan Abraham Bodisco
1536 - 1558
1558 - 1570
1570 - 1571
1571 - 1577
1577 - 1580
1580 - 1607
1607 - 1608
1608 - 1613
1613 - 1620
1620 - 1625
1625 - 1626
1627 - 1628
1628
1628 - 1635
1635 - 1652
1652 - 1678
1678 - 1715
1715 - 1731
1731 - 1756
1756 - 1786
1787 - 1806


Muntmeester Gerrit Pietersz. Dou werd in maart 1570 na een gevangenschap van ca. 8 maanden te Brussel onthoofd. De hertog van Alva sprak al in december 1569 zijn voorkeur uit voor Jeronimus Bruynseels als opvolger van Dou. Deze is maar tot mei 1571 muntmeester geweest omdat hij een geboren Brabander was. De functie van muntmeester van Holland was volgens het muntprivilege echter voorbehouden aan Hollanders waardoor hij door de Staten van Holland werd afgezet. Later zou Holland er nog een probleem van maken als hij in 1580 als muntmeester van Zeeland wil gaan werken (zie hierover bij Zeeland). Zijn opvolger, Rochus Grijp Joostenzn., werd in 1580 generaal-meester van Holland en in 1586 van de Staten-Generaal tot zijn dood in 1593. Hij werd opgevolgd door Jacob Jansz. de Jonge (van Velsen, ook van Haerlem) die daarvoor gedurende een jaar te Gelderland had gewerkt. Hij kreeg in 1604 hulp van zijn zoon Salomon de Jonge en in 1606 van zijn zoon Jacob Jacobsz. de Jonge die hem in 1607 zou opvolgen. Toen muntmeester Johan Bencken in 1625 overleed zette zijn weduwe Sara Torquet de resterende pachttermijn voort met hulp van haar behuwdoom Jacob Bencken. In 1627 nam Steven Bencken, de broer van de overleden Johan Bencken het over maar stierf al in 1628. Hij is in dat jaar kort opgevolgd door ene Pieter Bink (of Bencken?). Daarna was Willem van Bylaer muntmeester die van 1617 tot 1628 eerst als stempelsnijder in dienst was. Hij was de zoon van de stempelsnijder Gerrit van Bylaer die gewerkt heeft van 1577-1617. Om muntmeester te worden moest hij zijn beroep van stempelsnijder neerleggen. Een van zijn opvolgers, Simon Rottermond, had echter wel 2 functies tegelijkertijd. Naast zijn functie als muntmeester was hij van 1644-1678 ook essayeur-generaal. Hij werd in 1678 opgevolgd door zijn zwager Mattheus Sonnemans.

STEMPELSNIJDERS:

VAN  -  TOT:

Claude Noirot
Dirck Jacobsz.
Gerrit van Bylaer
Willem van Bylaer
Aert van der Beeck de Jonge
Anthony van der Beeck
Lodewijk Danielszn. de Coene
Daniel Drappentier
Jacobus de Vries
Johannes Drappentier
Johannes Drappentier Jr.
Frederik Willem Dietze
Adrianus Martinus van Baerle
Johannes van Baerle (zoon)
Joseph Everts
15?? - 1563
1575 - 1577
1577 - 1617
(1592 ook te Gelderland?)
1617 - 1628
1628 - 1653
(sinds 1625 assistent)
1654 - 1666
(van 1636-1666 ook essayeur)
1666 - 1671
(van 1666-1692 ook essayeur)
1671 - 1714
1714 - 1717
1717 - 1758
1759 - 1765
(van 1745-1748 te Gelderland)
1764 - 1765
(adjunct voor zieke Drappentier)
1765 - 1783
1783       
(waarnemend)
1783 - 1806

De stempelsnijders werkten vaak niet alleen maar hadden een hulp of vervanger, veelal een zoon, die hem na zijn dood opvolgde. Twee stempelsnijders waren tegelijkertijd ook essayeur namelijk Anthony van der Beeck en Lodewijk Danielsz. de Coene. Beide waren net als veel andere stempelsnijders en essayeurs goudsmid en/of juwelier.

WAARDIJNS:

VAN  -  TOT:

Adriaen van Blijenburg Adriaensz.
Mr. Adriaen van Blijenburg
Cornelis van Blijenburg
Mr. Adriaen van Blijenburg
Jakob van Blijenburg
Mr. Adriaen van Blijenburg
Pompejus de Roovre Jacobsz.
Mr. Adriaen van Blijenburg?
Mr. Adriaen van Blijenburg
Simon de Vries
Mr. Herman van den Honert
Adriaen Braats
Mr. Johan Gevaerts
Mr. Pieter Hoeufft
Cornelis Pieter Pompe
Dirk Crans Jr.
1548 - 1573
1573 - 1582
1582 - 1591
1591 - 1599
1599 - 1609
1609 - 1630
1634 - 1638
1638 - 1682
1682 - 1699
1701 - 1705
1705 - 1730
1730 - 1747
1747 - 1777
1777 - 1778
1778 - 1795
1795 - 1806
(van 1785-1806 ook essayeur)


Bijna 150 jaar lang zijn er leden uit het geslacht van Blijenburg werkzaam als waardijn op de Hollandse munt. Zij dragen bijna allemaal de naam Adriaen. De eerste Adriaen (waardijn tot zijn dood in 1573) was in 1549 schout van Dordrecht geworden maar nam vrijwillig afstand van dit ambt omdat hij niet langer de bloedplakkaten van de regering wilde helpen uitvoeren. Hij was heer van Schobbelandsambacht en gehuwd met Clara Bogaert Gerardsdr. Zijn zoon Mr. Adriaen van Blijenburg Adriaansz. (waardijn van 1579-1582) was in 1532 geboren te Dordrecht. Hij was reeds in 1572 medestander van Willem van Oranje en speelde een belangrijke rol bij de overgang van Dordrecht naar de zijde van de Prins. Hij was getrouwd met Catharina Cool Adriaansdr. en overleed in 1582 te Dordrecht. De Mr. Adriaen van Blijenburg die van 1591 tot 1599 waardijn was, was getrouwd met Alida (Alijt) Wijntgens, dochter van Balthasar Wijntgens en Anna Vlemminck. Zij hadden geen kinderen. De Adriaen die waardijn was van 1609 tot 1630 was 1589 geboren als zoon van Jakob van Blijenburg. Hij was heer van Naaldwijk en getrouwd met Sara de Roovre. Waardijn Pompejus de Roovre Jacobsz., geboren te Antwerpen en gedoopt in de  Joriskerk op 4 maart 1571, was sinds 1625 heer van Hardinxveld en baljuw van Zuid-Holland. Zijn eerste huwelijk was met Aelten Wittens Cornelisdr., zijn 2e huwelijk met Margriete Muijs van Holij Jacobsdr. en zijn 3e huwelijk met Anna Kasembroot. Hij overleed te Dordrecht op 23 oktober 1638 en werd begraven in de Grote Kerk van Dordrecht. Waardijn Herman van den Honert (1645-1730) was secretaris van Dordrecht en diverse malen burgermeester. Hij was gehuwd met Anna de Witt, dochter van raadpensionaris Johan de Witt. Adjunct/contra waardijn Cornelis van den Honert was hun zoon. De familie bezat een buitenhuis even buiten Dordrecht14. Waardijn Mr. Johan Gevaerts was lid van "den oudraad" en regerend burgemeester van Dordrecht. Hij overleed op 20 september 1777.

ADJUNCT/CONTRA WAARDIJNS:

VAN  -  TOT:

Adriaen van Blyenburg
Gerard de Pelgrom
Mr. Adriaen van Blyenburg
Mr. Boudewijn Onderwater
Mr. Cornelis van den Honert
Jan Backus
Abraham Hendrik Onderwater
1546 - 1573
1626 - 1649
1672 - 1682
(sinds 1682 waardijn)
1707 - 1717
1717 - 1747
(zoon van waardijn Herman)
1747 - 1755
1763 - 1777

 

ESSAYEURS:

VAN  -  TOT:

Pieter Sanders
Alexander Pieter Sanders
(zoon)
Cornelis de Vries
Hendrik Baerentsz.
Anthony Hendricksz. van Ommeren
Anthony van der Beeck
Lodewijk Danielsz. de Coene
Daniel de Coene
Hendrik van der Bank
Dirk Crans
Dirk Crans Jr.
1546 - 1565
1565 - 1570
(wegens fraude afgezet)
1570 - 1576
(1577-1580 muntmeester?)
1576 - 1594
1594 - 1636
1636 - 1666
(van 1654-1666 ook stempelsnijder)
1666 - 1692
(van 1666-1671 ook stempelsnijder)
1692 - 1742
1742 - 1746
(sinds 1733 adjunct)
1746 - 1785
1785 - 1806
(sinds 1777 adjunct, in 1801 ook waardijn)


Het overige munthuis personeel


Van de Hollandse munt zijn zeer veel gegevens bewaard gebleven over het lagere munthuis personeel. Toen Albrecht van Beieren in 1367/68 de munt te Dordrecht officieel als grafelijke munt instelde werd een "serment" van werklieden en munters opgericht. Alleen de leden van dit serment mochten werken op de munt van Holland en Zeeland (zoals hij toen genoemd werd). Ook de leden van het serment van Brabant mochten op de munt te Dordrecht werken. Er waren te Dordrecht dan ook 12 Brabantse en 16 Hollandse erfmuntersplaatsen. Deze gingen via vererving over op een familielid maar mochten ook worden verkocht. Het serment van de Hollandse munt wilde ook voor elkaar krijgen dat zij de munters zou leveren aan de munt van Zeeland. Zij beschouwden dit als een geprivilegieerde munt en concludeerden dat alleen hun leden het recht hadden daar te werken. Deze aanspraak was echter niet vol te houden hoewel er lange tijd munters van het Hollandse serment hebben gewerkt. In 1601 verspeelden zij een kans om vastere voet in Zeeland te krijgen door te lang te wachten met de aanvraag van 6 munters door de Zeeuwse muntmeester Melchior Wijntgens. Deze nam toen voor deze functies 6 rijnlanders in dienst. Na die tijd heeft er af en toe nog wel een munter uit Dordrecht te Zeeland gewerkt. Ondanks het karige loon en het zware werk in het munthuis waren de erfmuntersplaatsen een begeerde baan. De munters hadden namelijk allerlei voorrechten zoals vrijstelling van zettingen, beden en wachtdiensten, tolvrijheid, vrijdom van accijns op wijn, bier, brood, vlees en tegen een geringe vergoeding een graf in de munterskapel in de grote kerk. Vaak werd het werk niet door deze erfmunters gedaan maar hadden zij een knaap in dienst die voor een karig loon hun werk deed. Een nadeel voor de munters was dat zij in rustige tijden niet op een andere munt mochten werken. Het werken op de munt te Kampen was helemaal uit den boze, men riskeerde hoge straffen en verspeelde het recht om op de munt van Holland te mogen werken.

Voor de namen, de erfmuntersplaats en jaartallen wil ik verwijzen naar de publicaties van de heren C. Hoitsema en W.Dolk2 omdat het vermelden hiervan te ver voert.

Munthuis te Amsterdam3

Voorjaar 1672 vielen de Franse legers van Lodewijk XIV en Duitse troepen van de Munsterse bisschop de Republiek binnen. Hierdoor werd een groot deel van het land bezet waardoor o.a. de munt van Gelderland, Overijssel, Utrecht en enkele stedelijke munthuizen stil kwamen te liggen. Vanwege de noodsituatie schreven de Staten een buitengewone kapitale lening uit om met de opbrengst hiervan de troepen te kunnen betalen. Een ieder moest verplicht aan deze lening bijdragen naar verhouding van zijn bezit. Men mocht met gemunt geld betalen maar ook met edelmetaal in ongemunte vorm. In de stad Amsterdam was een belangrijk deel van deze lening bijgedragen o.a. in ongemunte vorm. Dit zilver moest nu naar Dordrecht en/of West Friesland worden vervoerd om vermunt te worden. De stad Amsterdam wilde het risico dat dit vervoer met zich meebracht niet dragen. De Hollandse waterlinie werd voortdurend door vijandige troepen bedreigd en een doorbraak werd gevreesd. Amsterdam bood aan om de munt van Dordrecht en West Friesland tijdelijk binnen Amsterdam te vestigen maar daar wilde men niets van weten. Omdat men dringend gemunt zilver nodig had kreeg Amsterdam toestemming om een provisorisch munthuis in te richten om het zilver van de kapitale lening te vermunten. Als personeel werd aangesteld:

Muntmeester: Gerrit van Romondt (ex- muntmeester van Zwolle).
Essayeur: Caspar Lenderman (van de Overijsselse munt).
Stempelsnijder: Geurt Hoxter (van de Gelderse munt), later vervangen door Roelof Hensbergen.

De munt heeft ongeveer een jaar geproduceerd namelijk van oktober/november 1672 tot november 1673. Er zijn alleen zilveren rijders en een klein aantal gouden dukaten geslagen.


Wapens


Het Hollandse wapen is een klauwende leeuw, we komen hem voor het eerst tegen onder graaf Dirk VII (1190-1203) en hij is altijd het Hollandse wapen gebleven. Op de koperen munten komt hij voor in een gekroond wapenschild gelegen op een stokkenkruis (4) en op een ander type staat hij in een zogenaamde Hollandse tuin (5).

                                   

Deze Hollandse tuin is ook een bekende afbeelding op de koperen munten. De tuin komt voor met een leeuw (1), stokkenkruis (2) of met een zittende vrouw figuur (3) meestal de Hollandse maagd genoemd. Zij stelt waarschijnlijk de nieuwe 'maagdelijke' republiek der verenigde Nederlanden voor zittend in een afgebakend stukje (de tuin) wat zich vrij heeft gevochten van Spanje. Zij wijst met haar rechterwijsvinger naar een zonnige hemel als teken dat zij vertrouwt op de Heer (de Heer steunt de goede zaak).




HOL.1: (biljoen) Hollants penninck.
(vdCh.XXXIV.65-68)

VOORZIJDE: Gekroonde letter P (van Philips).

TEKST: .DG HISP. ANG. Z. REX. C. H (of variant). Voluit met de P van de voorzijde krijg je de tekst: Philippus Dei gratia Hispaniarum Angliarum z rex comes Hollandia. Dit betekent: Philips, bij Gods gratie koning van Spanje en Engeland, graaf van Holland.

KEERZIJDE: Gekroond wapenschildje met hierin een klauwende leeuw naar links.

TEKST: .DVS. MIHI. ADIVTOR. (of variant), de Heer is mijn helper.

                                                           

Gerrit Pieterszn. d Oude, muntteken
(roos).

    ZJ R (Ca. 1558-1572)



Info:

Voorschrift: gehalte 0,080.

In 1553 kwam de katholieke Maria Tudor op de Engelse troon. Zij had als bijnamen de katholieke en/of de bloedige (in het Engels: bloody Mary). Zij was koningin van Engeland van 1553 tot 1558. Met steun van haar neef, keizer Karel V, begon zij te werken aan het herstel van het rooms-katholicisme in Engeland. Ook werd een huwelijk met Karels zoon Philips II voorbereid, Philips was weduwnaar geworden omdat zijn 1e vrouw (Maria van Portugal) was gestorven. De overeenkomst die naar aanleiding van het huwelijk tussen Maria en Filips II werd gesloten, bepaalde dat Philips koning van Engeland zou heten, maar geen persoonlijke macht zou krijgen en ook van de opvolging uitgesloten zou blijven. Wel zouden de kinderen uit het huwelijk het recht van opvolging hebben. Vanaf die tijd voerde Philips II op zijn munten de titel REX HISPANIARUM ET ANGLIARUM (koning van Spanje en Engeland). Deze titel verviel na 15 maart 1560 zodat de types zonder jaartal met de tekst ANG van voor die tijd dateren. Blijkbaar is er nog tot 1560 onenigheid geweest over de opvolgingen in Engeland ondanks dat sinds 1558 koningin Elisabeth Maria Tudor na haar overlijden was opgevolgd als koningin van Engeland en de macht stevig in handen had. Dit type muntjes zijn geslagen te Holland, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Bij slecht leesbare exemplaren is het moeilijk om de juiste toewijzing te geven, mede omdat deze muntjes ook erg klein zijn. De waarde van dit muntje was c groot (is c stuiver), het gehalte 0,080.
In bronnen uit de tijd wordt wel over een penning gesproken als pennicwert, pennewerde, penheward, penewaert en penwaert. Dit betekent zoveel als men voor een penning kopen kon, dus een kleinigheid16.

 

HOL.2: penning.(V.56.7 - GH.265.11 - vdCh.XXXIV.69-73 - PW 2001)

VOORZIJDE:
Gekroonde letter P met aan weerszijden de cijfers van het jaartal.

TEKST: PHS. D:G. HISP. Z. REX. COM. HOL. (of variant). Dit is voluit: Philippus Dei gratia Hispaniarum z rex comes Hollandia en betekent: Philips, bij Gods gratie koning van Spanje en graaf van Holland.

KEERZIJDE: Een leeuw naar links in een zogenaamde gesloten Hollandse tuin.

TEKST: .DOMINVS. MIHI. ADIVTOR. (of variant), de Heer is mijn helper.

                                                           

Rochus Grijp Joostenzn., muntteken
(roos).


     ZJ  R3       1575 R2
    1573 R2        1576 R2
    1574 R2        1577 R2

Cornelis de Vries, muntteken
(roos).


    1578 R2
    1579 R3



Voorkomende voor- en keerzijde varianten:

VZ: A: PHS. D:G. HISP Z. REX. COM. HOL.
    B: x PHS. D:G. HISP Z. REX. COES. HOL.
    C: PHS. D:G. HISP. Z. REX. CO. HOL
    D: + PHS. D:G. HISP Z. REX. COES. HOL.


KZ: a: (roos) DOMINVS. MIHI. ADIVTOR.
    b: (roos) DOMINVS. MIHI. ADIVTOR:.
    c: (roos) DOMINVS. MIHI. ADIVTOR:
    d: (roos) .DOMINVS. MIHI. ADIVTOR.
    e: (roos) DOMINVS. MIHI. ADIVTOR




Info:


Variant Ba (ZJ), particuliere collectie.
Variant Ba (1573), particuliere collectie.
Variant Dd (1573), particuliere collectie.
Variant Ab (1575), particuliere collectie.
Variant Ba (1577), afbeelding VCLS 26 nr.375.
Variant Ce (1579), geldmuseum Utrecht.


ZJ Particuliere collectie
1573 geldmuseum Utrecht
1574 geldmuseum Utrecht
1575 geldmuseum Utrecht
1576 geldmuseum Utrecht
1577 geldmuseum Utrecht
1578 geldmuseum Utrecht
1579 geldmuseum Utrecht

Wettelijk voorschrift: instructie Staten van Holland van 1 februari 1573. Uit een mark 128 stuks is ca. 1,92 gram per stuk. Volgens instructie van 30 oktober 1575 werd het aantal stuks uit een mark gewijzigd naar 132 zodat het gewicht op ca. 1,86 gram per stuk uitkwam. Sleischat 2 1/8 stuiver per mark.

Deze muntjes hadden het gewicht van de oude koperen korte van 2 mijten maar hadden nu als penning de waarde van 3 mijten. De sleischat die op deze munten geheven werd was maar liefst 2 1/8 stuiver per mark welk bedrag verdween in de kas van de nog jonge Staten van Holland die hiermee de oorlog tegen Spanje financierden. Het jaartal 1579 bestaat en is in het bezit van het tegenwoordige geldmuseum te Utrecht. Ook prof. H.E. van Gelder geeft in zijn publicatie ("het oudste kopergeld in de Nederlanden") als looptijd van deze serie 1573-1579 aan.
In bronnen uit de tijd wordt wel over een penning gesproken als pennicwert, pennewerde, penheward, penewaert en penwaert. Dit betekent zoveel als men voor een penning kopen kon, dus een kleinigheid16.


HOL.3: duit.
(V.56.8 - GH.264.11 - vdCh.XXXIV.74-76 - PW 2002/2003)

VOORZIJDE: Een scheef geplaatst stokkenkruis met daarop een vuurijzer geplaatst, van het vuurijzer springen vonken af. Het geheel is geplaatst in de zogenaamde Hollandse tuin.

TEKST: (roos) PHS. D:G. HISP Z. REX. COES. HOL. (of variant). Dit is voluit: Philippus Dei gratia Hispaniarum z rex comes Hollandia, en betekent: Philips, bij Gods gratie koning van Spanje en graaf van Holland.

KEERZIJDE: Gekroond wapenschild gelegen op een kruis. In het wapen een klauwende leeuw naar links.

TEKST: DOMINVS. MIHI. ADIVTOR., de Heer is mijn helper.

                                                           

Rochus Grijp Joostenzn. (t/m 1577) en Cornelis de Vries (t/m 1580), muntteken
roos.


    ZJ S (Ca. 1573-1579)


Bekende afslagen etc.

    ZJ U (hybride)



Voorkomende voor- en keerzijde varianten:


VZ: A: (roos) PHS. D:G. HISP Z. REX. COES. HOL.
    B: (roos) PHS. D:G. HISP. Z. RE.X. COM. HOL.
    C: (roos) PHS. D:G. HISP. Z. REX. COMES. HOL.
    D: (roos) PHS. D:G. HISP Z. REX. COMES. HOL.
    E: (roos) PHS. D:G. HISP. Z. REX. COM. HOL.
    F: (roos) PHS. D:G. HISP Z. REX. COM. HOL


     
1: De buitencirkel op de munt bestaat uit streepjes.
     
2: De buitencirkel op de munt bestaat uit pareltjes.


KZ: a:  DOMINVS. MIHI. ADIVTOR.
    b: .DOMINVS. MIHI. ADIVTOR

       I : Wapenschild type 1.
      
II: Wapenschild type 2.
                1    2


Info:


Variant A1aI (ZJ), particuliere collectie.
Variant B2aII (ZJ), particuliere collectie.
Variant D2bI (ZJ), particuliere collectie.
Variant D1aI (ZJ), particuliere collectie.

ZJ KPK

Wettelijk voorschrift: instructie van de Staten van Holland van 1 februari 1573. Uit een mark 64 stuks is ca. 3,85 gram per stuk. Volgens instructie van 30 oktober 1575 werd het aantal stuks uit een mark gewijzigd naar 66 zodat het gewicht op ca. 3,73 gram per stuk uitkwam.

Recent is een hybride munt gevonden met op de ene zijde het wapen zoals op dit type duit maar op de keerzijde staat de afbeelding van de maagd in tuin. Het exemplaar heeft een diameter van 22mm met een gewicht van 2,2 gram. Per abuis lijkt hier het keerzijde stempel van een duit samen met de keerzijde van de oord gebruikt. Het muntplaatje moet vanwege het gewicht van de duit geweest zijn. In 1579 werden de duiten van dit type in waarde gehalveerd tot penning.


HOL.4A: oord.
(V.57.2 - GH.263.11 - vdCh.XXXV.79-84 - PW 2008)

VOORZIJDE:
Gekroond wapenschild met leeuw naar links, gelegen op een stokkenkruis.

TEKST: .PHS. D:G. COMES. HO. (of variant) en jaartal gescheiden door een roosje boven de kroon. De tekst is voluit: Philippus Dei gratia comes Hollandia - Philips, bij Gods gratie graaf van Holland.

KEERZIJDE: De Hollandse maagd zittende in een gesloten tuin. Zij wijst met haar rechterhand naar een zonnige hemel als teken van het vertrouwen op de Heer.

TEKST: .AVX. NOS. IN. NOM. DOM. (of variant). Dit is voluit: auxilium nostrum in nomine Domini, onze hulp is in de naam des Heeren.                                                        

Rochus Grijp Joostenzn., muntteken (roos).

   
1574 R3
    1575 R2

Bekende afslagen etc.


    1569 R4 (vals)


Voorkomende voor- en keerzijde varianten:


VZ: A: .PHS. D:G. COMES. HO.
    B: .PHILIP. D:G. COMES. HOLLAN.
    C:  PHS. D:G. HISPZ. REX. COMES. HO
    D: .PHILIP. D:G. COMES. HOLLA.
 

       I : Wapenschild type 1.
1


KZ: a: .AVX. NOS. IN. NOM. DOM.
    b: .AVX. NOST. IN. NOM. DOM.
    c: .AVX. NOST. IN. NOM. DOMINI.
    d: .AVX. NOS. IN. NOM. DOMINI
    e:  AV(   OST         )DOM.

    I :
Zonder bloemen in de tuin.
    II:
Met bloemen in de tuin.


Info:


Variant C1aI (1574), particuliere collectie.
Variant B1dI (1575), particuliere collectie.
Variant D1eI (1575), particuliere collectie.

1574 KPK
1575 KPK

1569 (vals) particuliere collectie

Wettelijk voorschrift: instructie van de Staten van Holland van 1574. Uit een mark 32 stuks is ca. 7,69 gram per stuk. Per instructie van 30 oktober 1575 werd het gewicht verlaagd tot 7,46 gram (33 uit een mark).

Tot halverwege 1575 verschenen de oorden met de titel van Philips II als graaf van Holland. Na het afsluiten op 4 juli 1575 van de Unie van Dordrecht tussen Holland, Zeeland en de Gelderse steden Zaltbommel en Buren werd de tekst aangepast tot graaf van Holland en Zeeland. Zie voor deze oorden het volgende type 4B.



HOL.4B: oord.
(V.57.1 - GH.263.11 - vdCh.XXXV.79-84 - PW 2009-2011)

VOORZIJDE:
Gekroond wapenschild met leeuw naar links, gelegen op een stokkenkruis.

TEKST: .PHS. D:G. COM. HOL. Z. ZEL. (of variant) en jaartal gescheiden door een roosje boven de kroon. De tekst is voluit: Philippus Dei gratia comes Hollandia z Zeelandia, en betekent: Philips, bij Gods gratie graaf van Holland en Zeeland.

KEERZIJDE: De Hollandse maagd zittende in een gesloten tuin. Zij wijst met haar rechterhand naar een zonnige hemel als teken van het vertrouwen op de Heer.

TEKST: .AVX. NOS. IN. NOM. DOM. (of variant). Dit is voluit: auxilium nostrum in nomine Domini, onze hulp is in de naam des Heeren.                                                        

Rochus Grijp Joostenzn., muntteken (roos).

    1575 R
    1576 S
    1577 N


Bekende afslagen etc.


    5751 R3 (foutief gesneden jaartal 1575)

    1577 R4 (piedfort)

Cornelis de Vries, muntteken (roos).

    1578 N
    1579 N

Bekende afslagen etc.


    1577 R3 (vals)
    1578 R3 (vals)
    157? R3 (vals)
    1578 R4 (zilver)



Voorkomende voor- en keerzijde varianten:


VZ: C: .PHS. D:G. COM. HOL. Z. ZEL.
    D: PHILIP. D:G. COM. HOL. Z. ZEL.
    E: .PHS. D.G: COM. HOL. Z. ZEL.
    F: .PHS. D:G. COMES. HOL. Z. ZEL.
    G: .PHS. D:G. CON. HOL. Z. ZEL.
    H: .PHS. D:G. COM . HOL. Z. ZEL
    I: .PHS. D:G. CO. HOL. Z. ZEL.
    J: .PHS. D.G. COM. HOL. Z. ZEL.
    K: .PHS. D:G. CO-M. HOL. Z. ZE

    L: (..............) HOL. Z. ZELA

       1: Wapenschild type 1.
      
2: Wapenschild type 2.
     1     2


KZ: a: .AVX. NOS. IN. NOM. DOM.
    b: .AVX. NOST. IN. NOM. DOM.
    c: .AVX. NOST. IN. NOM. DOMINI.
    d: .AVX. NOS. IN. NOM. DOMINI
    e:  AVX. NOST. IN. NOM. DOM.


    I :
Zonder bloemen in de tuin.
    II:
Met bloemen in de tuin.


Info:


Variant F1eI (1575), particuliere collectie.
Variant C1d? (1576), particuliere collectie.
Variant E2aII (1577), particuliere collectie.
Variant K2aII (1577), afbeelding VCLS 29 nr.228.
Variant C2aI (1578), afbeelding munten in muntvondsten blz.6.
Variant C2aII (1578), particuliere collectie.
Variant C2aI (1579), particuliere collectie.
Variant C2aII (1579), particuliere collectie.

1575 KPK       1578 KPK
1576 KPK       1579 KPK
1577 KPK       5751 Particuliere collectie

1577 (piedfort, 11,20 gram) PW 2010.2
1577 (vals), particuliere collectie.
1578 (vals), particuliere collectie.
1578 (zilver, 5,60 gram) PW 2011.1

Wettelijk voorschrift: instructie van de Staten van Holland van 1574. Uit een mark 32 stuks is ca. 7,69 gram per stuk. Per instructie van 30 oktober 1575 werd het gewicht verlaagd tot 7,46 gram (33 uit een mark).

Er komen typen voor met of zonder binnen cirkel op voor- of keerzijde en zonder zon boven de maagd. Een recent gevonden exemplaar is voorzien van twee maal een onbekende klop met het cijfer vier. Van het jaartal 1575 komen exemplaren voor waarbij het woord HOLLAN is veranderd naar HOL Z ZEL.

In 1579 werden deze oorden in waarde gehalveerd tot duit. De koperen munten van de types HOL 2 t/m 4 zijn geslagen in de roerige periode van 1573 (o.a. Alkmaars ontzet) tot en met 1579 (unie van Utrecht). In deze periode beleefde de 80 jarige oorlog enkele van zijn hoogtepunten en werd er overgewaardeerd geld geslagen om de kosten van de oorlog te kunnen dekken.
De eerste Hollandse oorden behoren tot deze groep overgewaardeerde munten en zij zijn vooral in de begintijd nogal slordig en haastig geslagen. Door deze simpele en slordige uitvoering was het voor handige valsemunters niet zo moeilijk om deze oorden na te maken. Dit wordt bewezen door een vondst van een valsemunters werkplaats in Limburg. Tijdens het onderzoek van een grot in de Vallenberg te Sibbe (Limburg), is in 1985 een complete uitrusting gevonden van een valsemunter4. De vondst bestond uit 13 ijzeren muntstempels (3 onderstempels en 10 bovenstempels), een ijzeren hamerkop en een ijzeren kaarsenhouder. Ook werden er 16 munten gevonden en 25 blanco muntplaatjes. Er zijn vervalste exemplaren aangetroffen van de jaren 1576 en 1577 maar ook met een voor deze oorden erg vreemd jaartal namelijk 1569. Ook de bekende numismaat P.O. van der Chijs is deze oorden tegengekomen en heeft ze in zijn inmiddels ruim 100 jaar oude standaardwerk opgenomen5. Bij Holland staan twee van deze oorden afgebeeld (XXXV-77 en 78) met het jaar 1569. Zij vallen op door hun slechte afwerking en simpele uitvoering (zie hier en onder).

                               

Dit type oord werd pas sinds 1573/1574 in Holland geslagen, waarom de valsemunter ook het jaar 1569 heeft gebruikt is dan ook een raadsel. Misschien wist de valsemunter niet wanneer deze oorden voor het eerst geslagen werden of vond hij het een uitdaging om een onbekend jaartal te gebruiken. De valse exemplaren met het jaartal 1569 moeten ook gecirculeerd hebben in het gewone geldverkeer maar hebben nooit de aandacht getrokken. Er zijn ook geen gegevens bekend over een veroordeling in deze zaak en het feit dat bijna de complete uitrusting na zoveel jaar nog in de grot aanwezig was geeft aan dat de valsemunter nooit gepakt is. De oorden zijn niet geslagen om in Limburg te circuleren maar moeten zijn uitgevoerd naar Holland. Aanwijzingen dat de Hollandse oorden ook in Limburg circuleerden zijn er niet. In 1578 en 1579 heeft Holland de uitvoering van de oorden gewijzigd. De stempels voor die jaren werden veel netter afgewerkt wat betere munten opleverde. Dit is waarschijnlijk gedaan vanwege het grote aantal vervalsingen wat in omloop was. Vermeldenswaard is nog dat enkele beruchte muntmeesters en stempelsnijders die op illegale hagemunten hebben gewerkt afkomstig waren uit Limburg of omgeving. In de 2e helft van de 16e eeuw zijn dit o.a. Peter van Bossenhoven, de familie van Eembrugge en Mr. Floris de stempelsnijder. Enkele van hen hebben daar in de buurt gewerkt op de munt van Stevensweert, Maastricht en Luik.

Er komen ook oorden van het type HOL.4A en 4B voor welke zijn geslagen in geelkoper. P.O. van der Chijs betitelde deze als vals. In 1578 begon de stad Utrecht duiten en oorden te slaan die belangrijk lichter waren dan de Hollandse exemplaren (ca. 40% lichter). Dit Utrechtse kopergeld kwam wel gewoon naast de Hollandse exemplaren in omloop. Al snel kwamen er in Holland klachten over dit "vreemde" kopergeld en ontstond zelfs weerstand om het "goede" kopergeld aan te nemen. De Staten van Holland moesten zelfs via diverse resoluties de acceptatie van het "goede" kopergeld zeker stellen. Uiteindelijk staakte Holland in 1579 de verdere aanmaak van kopergeld en werden de bestaande exemplaren in waarde gehalveerd naar een duit. De Utrechtse duiten en oorden werden verboden. Deze Hollandse oorden stonden na hun waarde verlaging tot duit korte tijd bekend onder de naam "geuzenduiten". J.E. ter Gouw17 haalt een passage aan uit de klucht "van den Hoogduytschen Quacksalver 1622" waarin wordt gezegd: Man ich bid, dy eyns auff meyn gutter gold-salb ledt, ghemaeckt. . . . vom Fransche kroonen. . . .vom Friesche dalers und vom Geuseduyten. Deze naam werd mogelijk gebruikt om de duiten en oorden van koning Philips II te onderscheiden van die geslagen door Holland en de andere gewesten. Over de verdere geschiedenis en betekenis van het woord OORD kijk HIER.



HOL.5: duit.
(V.57.3 - PW 2004)

VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst HOL LAN DIA in drie regels.

KEERZIJDE:
De Hollandse maagd zittende in een gesloten tuin. Zij wijst met haar rechterhand naar een zonnige hemel als teken van het vertrouwen op de Heer.

TEKST: .AVX. NOS. IN. NOM. DOM. (of variant). Dit is voluit: auxilium nostrum in nomine Domini, onze hulp is in de naam des Heeren.

                                                   

Jacob Janszn. de Jonge, muntteken
(roos).

    ZJ N (Ca. 1590-1598)



Voorkomende voor- en keerzijde varianten:


VZ: A: HOL / LAN / DIA
    B: IOL / LAN / DIA


KZ: a: .AVX.NOS.IN.NOM.DOM.*.
    b: AVX.NO. IN.NOM.DOM.

    I :
Zonder binnen cirkel om de zittende maagd.
    II:
Met binnen cirkel om de zittende maagd.


Info:


AaI (ZJ), particuliere collectie.

ZJ KPK

Wettelijk voorschrift: resolutie van de Staten van Holland van 19 maart 1590. Gedurende de periode 1590-1598 werd er steeds opnieuw toestemming gegeven om een bepaald aantal aan te munten. Van 1590 tot 1593 was het aantal stuks uit een mark bepaald op 58 (is ca. 4,24 gram). In de loop van 1593 werd dit gewijzigd naar 62 stuks uit een mark wat een nieuw gewicht opleverde van 3,969 gram per stuk.


Deze munt wordt (bijna) overal beschreven als oord zonder jaar, geslagen ca. 1604. In het boekje van Mr. L.W.A. Besier
6 worden er echter bij de 3e muntbus opening (1591-1599) van muntmeester Jacob Janszn. de Jonge zo'n 3.140.980 duiten vermeldt. Ook van Gelder7 beschreef deze munt al als duit en vermeldt dat er totaal ca. 5 miljoen stuks geslagen zijn. Omdat het gewicht in 1593 van officile zijde is verlaagd komen er exemplaren voor die geslagen zijn van 1590 tot 1593 met een gewicht van ruim 4 gram. De latere exemplaren moesten 3,97 gram per stuk wegen. Het nawegen van enkele exemplaren leverde mij de gewichten 3,75 gram en 3,20 gram op wat normaal is omdat de muntmeesters de slechte gewoonte hadden om de munten eerder te licht te maken dan te zwaar. In 1591 sloeg Gorinchem nog net voor de sluiting van haar munthuis een duit naar dit Hollandse voorbeeld. Deze duit heeft de tekst GORC IN HOLL binnen een tulpkrans. Holland moet toen dus al deze duit geslagen hebben met de tekst HOLLAND in een tulpkrans. De oudere koperen oorden hebben namelijk de zittende maagd op de ene en een wapenschild op de andere zijde als beeldenaar. De oude duit had een wapenschild en een tuin met scheef kruis er in als beeldenaar. Het lijkt mij niet logisch dat Holland het type van Gorinchem is gaan imiteren, vooral omdat zij sterk tegen deze hagemunt gekant was. In het begin van de jaren 90 van de 16e eeuw beginnen trouwens meerdere munthuizen het type 'tekst in een bloemkrans' te slaan. Het is nu dus wel overduidelijk geworden dat deze munt geen oord uit ca. 1604 is maar een duit uit de periode 1590-1598 die vervolgens door de andere munthuizen is gemiteerd. Sporadisch kan dit type duit voorkomen met de klop Meurs (Duitsland), zie hier een afbeelding. Recent is een duit gevonden welke is voorzien van een klop in de vorm van een kruis en eentje waar deze klop vele malen is ingeslagen. Deze klop was voorheen alleen op Friese oorden bekend.



HOL.6: duit.
(V.57.4 - PW 2005)

VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst HOL LAN DIA in drie regels.

KEERZIJDE:
De Hollandse maagd zittende in een gesloten tuin. Zij wijst met haar rechterhand naar een zonnige hemel als teken van het vertrouwen op de Heer.

TEKST:
.AVX. NOS. IN. NOM. DOM. jaar. (of variant). De tekst is voluit: auxilium nostrum in nomine Domini, onze hulp is in de naam des Heeren.

                                                       

Jacob Janszn. de Jonge, muntteken
(roos).

   
1604 S
    1605 R2

Bekende afslagen etc.

    1605 R4 (zilver)



Voorkomende voor- en keerzijde varianten:


VZ: A: HOL / LAN / DIA

KZ: a: (roos) . AVX. NOS. IN. NOM. DOM. (jaartal).

    I :
Zonder binnen cirkel om de zittende maagd.
    II:
Met binnen cirkel om de zittende maagd.


Info:

Variant AaI (1604), particuliere collectie.
Variant AaI (1605), particuliere collectie.

1604 KPK
1605 Particuliere collectie

1605 (zilver, 2,70 gram) KPK

Wettelijk voorschrift: Staten van Holland en West-Friesland.

Uit de muntbus opening van de 5e muntbus van muntmeester Jacob Janszn. de Jonge over de periode 1602-1607 blijkt dat hij in deze periode duiten heeft geslagen8. Daar moeten dan de duiten mee bedoeld zijn die zijn geslagen met de jaren 1604 en 1605 (het jaartal 1605 is alleen in zilver in het bezit van het KPK). Als opmerking staat vermeld dat er 84 stuks uit de snede kwamen (84 stuks uit een mark van 246,084 gram). Dit levert een gewicht op van 2,929 gram per stuk. Het wegen van een exemplaar met het jaar 1604 leverde mij het gewicht op van 2,9 gram. Aangezien deze munt geslagen is na de afspraken van 1603 maar nog voor het plakkaat van 1606 kan hieruit afgeleid worden dat de duiten in Holland pas na 1606 met het gewicht van 2,12 gram zijn geslagen. Deze duiten die na 1606 te zwaar waren zullen wel vrij snel uit de circulatie zijn verdwenen. Er komen er nu niet veel meer voor en zij zullen dan ook waarschijnlijk massaal omgesmolten zijn om te worden om gemunt tot lichtere duiten.


HOL.7: duit.
(V.57.5 - PW 2006)

VOORZIJDE: Een tulpkrans met daarin de tekst HOL LANDIA in twee regels (met N & D aan elkaar vast) en daaronder het jaartal.

KEERZIJDE: De Hollandse maagd zittende in een gesloten tuin. Zij wijst met haar rechterhand naar een zonnige hemel als teken van het vertrouwen op de Heer.

TEKST: .. AVX. NOS. IN. NOM. DOM.(of variant). Dit is voluit: auxilium nostrum in nomine Domini, onze hulp is in de naam des Heeren.

                                                       

Sara Torquet (weduwe van Johan Bencken), muntteken
(roos).

   
1626 S

Bekende afslagen etc.

    1626 R4 (incuse)
   
1626 R4 (zilver)

Steven Bencken, muntteken (roos).

    1627 R2

Bekende afslagen etc.

    1627 R4 (zilver)
    1627 U (goud)



Voorkomende voor- en keerzijde varianten:


VZ: A: HOL / LANDIA / (jaartal)

KZ: a: .(roosje). AVX. NOS. IN. NOM. DOM.
    b:  (roosje). AVX. NOS. IN. NOM. DOM.



Info:

Variant Aa (1626), particuliere collectie.
Variant Ab (1626 zilver), afbeelding jubileumnummer kring Amsterdam blz. 54.

1626 KPK
1627 KPK

1626 (zilver, 2,10 gram) PW 2006.1
1627 (zilver, 1,40 gram) KPK

Wettelijk voorschrift: Staten van Holland en West-Friesland.

Dit type duiten heeft de letters N en D in HOLLANDIA in ligatuur, aan elkaar vast geschreven. Ook de letters I en A staan vaak dicht tegen elkaar aan of soms ook sterk in ligatuur zoals op DIT exemplaar van 1627. Deze duiten van 1626 en 1627 zijn de enige Hollandse duiten geweest met het gewicht van ca. 2,12 gram (116 uit de snede). Nawegen van een exemplaar leverde het gewicht op van precies 2 gram. Na 1627 zijn er tot 1702 geen duiten en oorden meer geslagen in Holland. Dit heeft tot gevolg gehad dat de vroege types duiten van 1604/1605 en van 1626/1627 weinig voorkomen. Zij zijn zeer lang in gebruik geweest totdat zij door versterf (zoekraken, slijtage etc.) helemaal verdwenen. Mogelijk zijn de exemplaren van 1604/1605 al eerder uit de omloop verdwenen door hun hogere gewicht. Veel exemplaren die nu aangeboden worden zijn vaak van slechte kwaliteit. Toen er in 1702 weer een begin werd gemaakt met het slaan van duiten werd het gewicht verhoogd van 2,12 gram naar 3.84 gram. Tegelijkertijd werden alle oude duiten en de duiten van andere provincies in waarde verminderd tot een halve duit. Op deze manier trachtte Holland alle inferieure (lees: te lichte duiten) uit de omloop te weren. Vooral Reckheim had er een potje van gemaakt door in grote getale te lichte duiten te slaan met afbeeldingen die leken op de echte duiten van de zeven provincin. Om nu niet alle slechte duiten in hun maag gesplitst te krijgen door de maatregel in Holland gingen de andere provincies vrij kort na Holland ook nieuwe en zwaardere types slaan. Zie voor meer informatie en plakkaten bij de duit van West-Friesland type WES.40.


HOL.8: duit.
(V.57.6 - PW 2007)

VOORZIJDE: .. daaronder HOL LAN DIA. in drie regels en het jaartal.

KEERZIJDE: Een leeuw naar links in een gesloten Hollandse tuin. De leeuw heeft met zijn klauwen een speer vast met op de punt de zogenaamde vrijheidshoed.

                                                       

Mattheus Sonnemans, muntteken
(roos).

   
1702 N           1712 N
    1707 N           1713 N
    1708 X           1714 N
    1709 R           1715/14 R2
    1710/09 R2       1715 N
    1710 N
    1711 X


Bekende afslagen etc.


     ZJ  R3 (hybride kzkz)
     ZJ  R3 (incusum kz)
    1702 R4 (Piedfort geelkoper)
   
1702 N  (zilver)
   
1702 R2 (goud)
   
1710 R2 (zilver)

Isaak Westerveen, muntteken
(roos).

   
1716 N
    1717 S
    1720 N
    1721 N
    1723 N

Bekende afslagen etc.

    1717 R3 (zilver)
   
1717 R2 (goud)
   
1720 R4 (goud)
   
1723 R2 (goud)
   
1725 R3 (zilver)


Otto Buck, muntteken
(roos).


    1739 N
    1741 N
    1742/41 R2 Detail  Tweede exemplaar
    1742 N
    1754
* N * Met streepjes buitenrand.
    1754
** R ** Zonder buitenrand.


Bekende afslagen etc.


    1739 R3 (Hybride vzvz)    1747 R (zilver)
   
1739 R3 (piedfort)         1748 R (zilver)
   
1739 S (zilver)            1749 R (zilver)
   
1739 R3 (goud)             1749 R2 (goud)
   
1740 R (zilver)            1750 R (zilver)
   
1740 R2 (goud)             1751 S (zilver)
   
1741 R (zilver)            1752 S (zilver)
    1742 R3 (koper met kabelrand)
   
1742 R (zilver)            1752 R2 (goud)
   
1742 R2 (goud)             1753 S (zilver)
   
1743 R (zilver)            1753 R2 (goud)
   
1744 R (zilver)            1754 S (zilver)
   
1744 R2 (goud)             1755 R (zilver)
   
1745 R (zilver)            1755 R2 (goud)
   
1745 R2 (goud)             1756 S (zilver)
   
1746 R (zilver)


Mr. Wouter Buck, muntteken
(roos).

    1765/61 R
    1765 N
    1766 N
    1769 N
    1780 N


Bekende afslagen etc.


    1757 S (zilver)
    1758/57 R3 (zilver)
    1758 R3 (zilver)
    1759 R (zilver)
    1759 R3 (goud)
    1760 N (zilver)
    1760 R3 (goud)
    1761 R (zilver)
    1762 S (zilver)
    1763 S (zilver)
    1765 R3 (goud)
    1780 R3 (koper met kabelrand)


Voorkomende voorzijde varianten:


VZ:   A:
Met punt achter DIA. in HOLLANDIA.
      B:
Zonder punt achter DIA in HOLLANDIA.

RAND: I :
Zonder kabelrand.
      II:
Met kabelrand.


Info:

1702 KPK
1707 KPK
1708 PW 2007
1709 particuliere collectie
1710/09 particuliere collectie
1710 KPK
1711 VCSCH 290 nr.179
1712 KPK
1713 KPK
1714 KPK
1715/14 particuliere collectie
1715 KPK
1716 KPK

1717 KPK
1720 KPK
1721 KPK
1723 KPK
1739 KPK
1741 KPK
1742/41 particuliere collectie
1742 KPK
1754* PW 2007
1754** PW 2007.12
1765/61 PW 2007
1765 KPK
1766 KPK
1769 KPK
|
1780 KPK
1780 met kabelrand, particuliere collectie.

 

1702 (zilver) VCLS 24 nr.248
1702 (goud 6,90 gram) VCLS 24 nr.191
1710 (zilver) VCLS 23 nr.316
1717 (zilver) VCLS 24 nr.249
1717 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1720 (goud) Jaaroverzicht 1988
1723 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1725 (zilver)
1739 (piedfort koper 6,80 gram) PW 2007.10 
1739 (zilver) VCLS 24 nr.248
1739 (goud 5,19 gram) VCLS 29 nr.238 
1739 (goud 7,08 gram) VCLS 24 nr.192
1740 (zilver 3,81 gram) VCKdeG 28 nr.126
1740 (goud) Jaaroverzicht 1987
1741 (zilver) PW 7007.5
1742 (zilver) VCLS 25 nr.560
1743 (zilver) VCKdeG 13/14 nr.313
1744 (zilver) VCLS 26 nr.526
1744 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1745 (zilver) VCCI 54 nr.198
1745 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1746 (zilver) VCLS 24 nr.250
1747 (zilver) VCLS 26 nr.527
1748 (zilver) VCCI 54 nr.199
1749 (zilver) VCLS 21 nr.209
1749 (goud 5,25 gram) PW 7007.6
1750 (zilver) VCLS 24 nr.251
1751 (zilver) VCLS 23 nr.316
1752 (zilver) VCLS 23 nr.317
1752 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1753 (zilver) VCLS 21 nr.210
1753 (goud 5,25 gram) VCLS 26 nr.418
1754 (zilver) VCLS 23 nr.317
1755 (zilver) VCCI 54 nr.200
1755 (goud 5,22 gram) VCLS 24 nr.193
1756 (zilver) VCLS 24 nr.251
1757 (zilver) VCLS 26 nr.529
1758/57 (zilver)
1758 (zilver) PW 7007.5
1759 (zilver) VCLS 26 nr.529
1759 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1760 (zilver) VCLS 26 nr.530
1760 (goud 6,90 gram) PW 7007.7
1761 (zilver) PW 7007.5
1762 (zilver) MPO 36 nr.706
1763 (zilver) VCLS 26 nr.530
1765 (goud 6,90 gram) PW 7007.7

ZJ (hybride kzkz) PW 7007.8
ZJ (incusum kz) VCCI 45+46 nr.137
1702 (piedfort geelkoper 5,4 gram) gezien in particulier bezit.
1739 (hybride vzvz) PW 7007.

Wettelijk voorschrift: resolutie Staten van Holland en West-Friesland van 13 december 1701. Uit een mark 64 stuks is ca. 3,85 gram. Remedie 4 stuks per mark. Sinds 1716 geslagen volgens nieuwe resolutie van de Staten van Holland van 30 maart 1716. Uit een mark werks 75 76 stuks is ca. 3,24 gram per stuk. Over de aanmunting van duiten was geen sleischat verschuldigd.

Recent is in een internet veiling een duit 1710 verkocht waar de derde 1 in het jaartal over een 0 is geplaatst. Op de foto is niet goed te zien of het laatste cijfer ook over een ander cijfer is geplaatst maar mogelijk betreft het hier een jaartalwijziging 1710 over 1709. In veilingcatalogus 290 van Schulman komt onder nummer 179 een duit 1766 voor welke is overgeslage
n op een duit met Bourgondisch kruis, mogelijk een oude Hollandse duit van het type HOL.3. De heer J.E. ter Gouw9 vermeld dat er ook Hollandse duiten van dit type voorkomen met de jaren 1730, 1738 t/m 1747 en 1749 t/m 1763. Hij heeft hier mogelijk de zilveren duiten meegerekend want van diverse jaren die hij opsomt bestaan geen koperen exemplaren. In 1702 is voor 272.462 mark koper vermunt tot duiten. Dit geeft de formidabele oplage van ca. 17.460.557 stuks10. Dit enorme aantal zorgde ervoor dat er de eerstvolgende paar jaren geen duiten aangemunt hoefden te worden. Pas in 1707 werden wederom duiten aangemunt. In 1722 werd er afgesproken dat er een tijdje geen koperen duiten door Holland en West Friesland zouden worden geslagen. Beide gewesten sloegen in 1723 voorlopig de laatste duiten. West-Friesland zou in 1727 nog een klein aantal duiten hebben geslagen maar dit jaar ben ik nog nergens tegengekomen. Het jaartal 1702 is bekend met een klop welke een borstbeeldje vertoond. Deze klop is beschreven door J.C. van der Wis onder nummer E-2. Het betreft een afslag van een ponsoen door zilversmid Dirk ten Brink te Amsterdam. Een duit 1742 is bekend met de klop gekroonde hamer. Deze klop is door van der Wis beschreven onder nummer G-7011. De klop toont een gekroonde rechtopstaande hamer. Dit merkteken blijkt een waardigheidsteken welke ijkmeesters soms sloeg in gewichten ten teken van zijn lidmaatschap van het gilde12. Deze klop is ook aangetroffen op een Westfriese duit. Recent (2007) is een duit gevonden met de klop: kruis binnen een ronde instempeling. Deze klop wordt 2 maal genoemd in de catalogus van kloppen door J. van der Wis, namelijk onder nummer G-72 en G-79. De vermelding G-72 is aangetroffen op een Westfriese scheepjesschelling van 1754. De klop G-79 (binnen een ronde instempeling een kruis) is aangetroffen op een Hollandse duit van 1769. De klop is niet opgehelderd en de kloppen in dit hoofdstuk zijn dan ook veelal een particuliere initiatief om de een of andere duistere reden. De nu gevonden duit komt uit de omgeving van Utrecht, zie hier een afbeelding. Andere onbekende kloppen staan op deze sterk afgesleten duit van Holland, op beide zijden een lelie met op 1 zijde nog een 7 bladige bloem er bij.

Pas in 1739 werden weer volop duiten aangemunt. In 1738 berichtten de raden en generaalmeesters van de munt de Staten van Holland en West Friesland namelijk dat er in Holland een schaarste aan duiten begon te ontstaan. In juni van dat jaar gaven deze vervolgens toestemming om ca. 36000 pond Zweeds koper aan te schaffen om te vermunten tot duiten. In december werd vervolgens nog eens toestemming gegeven om ca. 13000 pond koper aan te schaffen uit een in 1738 op de Veluwe opgerichte kopermolen. Holland bevond dit koper "1 ten 100 goedkoper dan dat uit Zweden" en zal er later nog meer koper betrekken. Te Holland en West Friesland worden vervolgens van dit koper duiten geslagen met het jaartal 1739. In de jaren daar op volgend zal er meerdere keren toestemming worden verleend tot het aankopen van koperen muntplaten.


Opsomming van de koper aankopen15:

26-07-1738, bij de kooplieden Anthony en Johannes Grill te Amsterdam 38775 pond Zweedse duitplaten.
13-01-1739, van koopman Danil Mitz te Amsterdam 12786 pond Veluwse duitplaten.
01-04-1741, bij de kooplieden Anthony en Johannes Grill te Amsterdam 13750 pond Zweedse duitplaten.
02-06-1742, bij de kooplieden Anthony en Johannes Grill te Amsterdam 17050 pond Zweedse duitplaten.
17-08-1753, van koopman Danil Mitz te Amsterdam 34752 pond Veluwse duitplaten.
02-03-1765, van koper handelaar Johan Hessels te Apeldoorn 35370,5 pond Veluwse duitplaten.
17-06-1769, van koper handelaar Johan Hessels te Apeldoorn 16545 pond Veluwse duitplaten.
31-08-1779, van koper handelaar Johan Hessels te Apeldoorn 35325 pond Veluwse duitplaten.

Dit aangeschafte koper werd verdeeld over de munthuizen van Holland en West Friesland. Op de Hollandse munt te Dordrecht zijn vervolgens globaal geslagen:

Jaar: Oplage (bij benadering): Gebruikte stempels (VZ+KZ):
1739
1741/42
1754
1765/66
1769
1780
5.277.288
3.145.602
3.427.942
3.548.592
1.686.592
3.473.808
200 stuks
157 stuks
160 stuks
240 stuks
112 stuks
318 stuks

De stempelsnijder van Holland ontving 1 gulden per gemaakt duiten stempel. Als we de oplage cijfers delen door het aantal stempelparen dan komen hier zeer verschillende cijfers uit. In 1739 konden per paar stempels ruim 52.000 duiten worden geslagen. In de jaren 1741/42 werden slechts 20.000 stuks per stempelpaar geslagen. Het is mogelijk dat er meer bovenstempels dan onderstempels werden gemaakt omdat het bovenstempel het bewegende stempel was en meer krachten moest opvangen dan het onderstempel. In de 16e en 17e eeuw bestond een stempelpaar mogelijk uit drie stempels. Het bovenstempel had toen nog meer te lijden omdat toen nog de hamer werd gehanteerd. Met een hamer werden meerdere zware klappen op het bovenstempel gegeven die daardoor extra snel versleten raakte.


Van dit type duiten met het jaartal 1702 zijn diverse afwijkende exemplaren bekend die betiteld moeten worden als "maakwerk" of stukjes huisvlijt. Het zijn gewone duiten van 1702 die zijn omgewerkt tot exemplaren die een belangrijke (politieke) gebeurtenis herdenken/gedenken. 


1: Een leeuw staand naar links in een gesloten tuin. De leeuw heeft met zijn klauwen een speer vast met op de punt de zogenaamde vrijheidshoed. Aan de vrijheidshoed hangt nu echter een rouwband. Voorgekomen in VCLS 24 nr. 257.

                                                       

In het jaar dat het nieuwe zwaardere type duit werd ingevoerd (1702) overleed op 18 maart koning-stadhouder Willem III. Hij was koning van Engeland en stadhouder van de Republiek der Nederlanden. Deze variant met de rouwband aan de hoed is naar aanleiding van zijn overlijden. Johan Willem Friso, de 14 jarige zoon van de inmiddels overleden Hendrik Casimir van Nassau werd nog door hem aangewezen als zijn opvolger. Deze verdronk echter tijdens het oversteken van het Nieuwediep bij de Moerdijk.


2: De leeuw is omgewerkt naar een ooievaar, naast de ooievaar prijkt de speer met de vrijheidshoed. Vermeld bij PW onder nummer 2007.1.

                                                       

Deze variant met de ooievaar kan mogelijk ook iets te maken hebben met de dood van Willem III of met de opvolging van Johan Willem Friso. Ook wordt het Haags verbond welke gesloten werd op 7 september 1701 tussen Engeland, de Republiek en de keizer van Oostenrijk met dit type in verband gebracht
13.



3: De leeuw is zo aangepast dat hij in zijn ene klauw een kromzwaard vast heeft en in de andere klauw een haan. (Het lijkt er op dat hij de kop van de haan er af wil slaan.) Vermeld bij PW onder nummer 2007.3.

                                                       
     

De republiek was gedurende de tweede helft van de 17e eeuw voortdurend in strijd met Frankrijk. Van 1700-1712 komt hier ook nog eens de kwestie bij van de Spaanse successie oorlog waardoor de banden met Frankrijk verder verslechterden. De haan is het symbool voor Frankrijk zodat deze duit een soort propaganda boodschap uitstraalt. De leeuw (symbool voor de republiek) zal de haan (Frankrijk) onthoofden en zo de overwinning behalen.


4: Een leeuw staand in een tuin met een speer in de hand waarop de vrijheidshoed prijkt. Naast de leeuw is het stadswapentje van den Haag geklopt (zie hier een afbeelding). Vermeld bij PW onder 2007.klop.

                                                       

Het wapenschildje van den Haag is op deze duit naast de leeuw ingeslagen (geklopt), waarschijnlijk op particulier initiatief. Mogelijk om de opvolging van Willem III door Johan Willem Friso te vieren of om het Haags verbond (tegen Frankrijk) tussen Engeland, de republiek en de keizer van Oostenrijk te gedenken.

 

Noten:

1: Dr. H.E. van Gelder De Nederlandse munten
  
Het spectrum b.v. 1965.

2: Dr. C. Hoitsema De munt van Holland KPK 09 F 004
  
Het archief v/h serment v/d werklieden en munters v/d munt van Holland.
  
Zie ook W. Dolk Het serment van de munt van Holland te Dordrecht.

3: Dr. H. Enno van Gelder De munthervorming tijdens de Republiek 1659 - 1694
  
Amsterdam 1949, blz. 57-61.

4: Zie o.a. H.W. Jacobi Het geheim van de Vallenberg, een valsemunterswerkplaats uit de 16e eeuw
  
Brochure n.a.v. tentoonstelling van de vondst
  
Ed. van Gelder Schat uit Vallenberg naar muntmuseum
  
Muntkoerier 10, 1994. Omni-trading b.v.

5: P.O. van der Chijs De munten der voormalige graafschappen Holland & Zeeland
  
vd Chijs beeldenaar, herdruk AMNU Amstelveen 1982.

6: Mr. L.W.A. Besier De muntmeesters en hun muntslag 1574-1813
  
Reprint Rotterdam 1972.

7: H. Enno van Gelder Het oudste kopergeld in de Nederlanden JMP 49 (1962).

8: Mr. L.W.A. Besier De muntmeesters en hun muntslag 1574-1813
  
Reprint Rotterdam 1972.

9: J.E. ter Gouw Een merkwaardige (zilveren) Hollandse duit
  
Verschenen in het jaarboek van de vereniging voor munt en penningkunde (JMP) 1906 blz.301-303.

10: Bron: doctoraal scriptie Drs. A.A.J. Scheffers, de munt van West-Friesland 1652-1704.

11: J.C. van der Wis Catalogus van kloppen
  
  Verschenen in de encyclopedie van munten en bankbiljetten, uitgave Bohn, Stafleu en van Loghem.

12: Zie D.A. Wittop Koning en G.M.M. Houben "2000 jaar gewichten in de Nederlanden" blz.81.
  
  Uitgeversmij. De tijdstroom Lochem-Poperinge 1980.

13: Zie B.H.J. te Boekhorst De Hollandse tuin
  
  Verschenen in de muntkoerier, uitgave Omni-Trading b.v.

14: Met dank aan de heer A. de Man voor deze informatie over Herman van den Honert.
  
  http://home.wanadoo.nl/audeman/vandenHonert.htm

15: Bron: de Hollandsche en Westfriesche duiten 1739-1780, door Aug. Sassen.
    Oorspronkelijke bron: rekeningen in het rijksarchief te den Haag, inventaris-Domeinen-Holland nr. 689.

16: Zie J.E. ter Gouw in TMP 1903 blz.133.

17: Zie J.E. ter Gouw in TMP 1904 blz.150-151.